zondag 28 oktober 2012

Ik 'ben', verward of niet?



Wat is de essentie van ‘zijn’? Denken dat je er bent, dat je bestaat. Rechtmatig of niet, dat doet er niet toe. Of alles om een mens heen goed waargenomen wordt is ook niet belangrijk.

“Wat is de essentie van ‘zijn’?”
 “Waarom wil je dat van me weten?”
“Het is een kernvraag.”
 “Een kernvraag, hoe bedoel je?”
“Precies zoals ik het zeg.”
 “Sorry, maar hier raak ik je even kwijt.”
“Om me kwijt te raken moet u me eerst gevonden hebben.”
 “Niet zo flauw zeg. Even geen raadsels.”
“Apart. U heeft gestudeerd toch?”
 “Ja, maar wat heeft dat er mee te maken?”
“Dan zou u moeten begrijpen wat ik bedoel.”
 “Met een logische aanloop wel, maar ik vraag je iets over vroeger en ineens kom je hier mee.”
“Niet ineens, is met elkaar verbonden.”
 “Zo komen we niet veel verder.”
“Anders gevraagd: Waarom zit ik hier?”
 “Dat is één waar ik antwoord op kan geven.  Je zit hier, omdat je ervaringen en gevoelens van het dagelijks leven te zwaar voor je zijn. Een uitweg zie je zelf niet en dus heb je hulp nodig.”
“Klopt. Maar voordat u die voldane grijns vasthoudt even het volgende.”
 “Goed, ga door. Daarna zal  ik op je brutale karakter ingaan.”
“Best. Heel simpel. Ik heb ervaringen en gevoelens die mij in een negatieve spiraal gebracht hebben. Dat voelt niet prettig en ik raakte het zelf niet kwijt, dus kwam ik bij u terecht. Niet mijn eigen keus wil ik er aan toevoegen.”
 “Een overbodige opmerking lijkt mij.”
“Er is veel overbodig, maar dat terzijde.”
 “Kom je nog tot een punt, want mijn begrip begint de grens te bereiken.”
“Dat is dus wat ik bedoel.”
 “Wat?”
“Begrip! Hoe kunt u begrip opbrengen voor een ander levend wezen, als u de essentie van ‘zijn’ niet eens kunt verwoorden?”
 “Hoe bedoel je?”
“Als u mij wilt helpen zult u op zoek moeten naar de kern van mijn persoon.”
 “Ben ik met je eens.”
“De kern van mijn persoon is niet de ervaring die mijn leven verziekt heeft. De kern is niet mijn gevoelsleven. Dat zijn gevolgen van.”
 “Zover kan ik je nog volgen.”
“De kern van mijn wezen begint met bestaan. Mee eens?”
 “Ja, mee eens.”
“De rest is geboren uit omstandigheden, aangeleerd.”
 “Discutabel, maar kan.”
“Zelfs discutabel blijft er één feit over!”
 “En dat is?”
“Om de essentie van een mens te kunnen bereiken, de oorsprong van diens problemen, zult u eerst één ding moeten erkennen.”
 “Verlicht mij.”
“Wat ik al zei. ‘Zijn’. Om te weten wat een mens beweegt moet eerst bevestigd worden dat de mens ‘is’. Vandaar de vraag: Wat is de essentie van ‘zijn’? Voordat u mij kunt behandelen zult u eerst moeten weten wat ‘zijn’ is om na te gaan of ik er ben. En als blijkt dat ik er ben moet duidelijk worden op welke manier.”
 “Maar waarom zou ik zo ver gaan?”
“Omdat daar de oorsprong ligt. En zonder oorsprong zijn de gevolgen niet te achterhalen. De oorzaak van de problematiek zit in de gevolgen van de oorsprong.”
 ’Ik denk, dus ik besta.’ Die ken je wel?”
“Ja, maar wat als ik alleen in uw gedachten in deze vorm besta, maar het in de mijne compleet anders is?”
 “Maar we zitten hier nu toch?”
“Dat is beleving en als ik in uw gedachten besta kan het heel goed zijn dat ik er niet ben. Ergo, wat is de essentie van ‘zijn’?”
 Het recept voor antidepressiva werd gretig aangenomen. Al was ‘zijn’ subjectief, de beleving van een afgevlakte geest bleef een mooi vooruitzicht. Hulp zou hier niet vandaan komen, simpel omdat de ‘gestudeerde’ hulpverlener deze sprong niet kon maken. Niet kon bedenken of zich afvragen waarom ‘zijn’ niet vanzelfsprekend was. En daarom bleven ze in twee werelden leven.
“Bedankt voor uw tijd.”
 “Graag gedaan… denk ik.”
“Precies, daar gaat het om, denken. Tot een volgende keer misschien, als ik er denk te ‘zijn’.

Kain©

Optische Illusies Om Verward Van Te Raken

zaterdag 6 oktober 2012

Hemelse gedachte

De sterveling keek omhoog naar het blauw en dacht aan God. Hij vroeg zich af wie er beter af was: De eeuwig alom aanwezige die alle ellende keer op keer weer moest aanschouwen of degene die na een kleine eeuw afscheid kon nemen van alles.

En hoe langer de sterveling dacht, des te meer medelijden kreeg hij met de ongrijpbare entiteit. De zoon was gestorven voor zonden van mensen. En diezelfde mensen zagen dat als een goed excuus om iets minder scherp te zijn als het om 'naastenliefde' ging. Enkelen dachten dat Hij de mensheid verlaten had en misschien was dit wel zo. Maar werd de Almachtige hier zelf beter van?
Hij schiep de mens naar Zijn eigen beeld. En als ergens ver in het universum op één van de andere duizenden mogelijke Aardes weer een 'mens' werd neergezet was de kans op herhaling erg groot.

 Misschien dat er in de loop van de evolutie stappen gemaakt werden, waardoor de stervelingen uiteindelijk het Goddelijk begrip kregen. Maar om dit tienduizenden jaren af te moeten wachten. Tienduizenden jaren vol leed, verdriet, ziektes, tienduizenden jaren onvolkomenheid en wachten of het wezen, dat gemaakt was, de sprong naar energie en volmaaktheid ging maken. En de eeuwige vraag die Hij zich zelf moest stellen: 'Heb Ik nu lang genoeg gewacht? Is er nog hoop?'

 Hopen is geloven en geloven is hopen. Dus Zijn creatie gelooft in de hoop dat Hij bestaat, maar hoopt gaandeweg steeds meer dat geloof werkelijkheid is. En zolang de werkelijkheid geloof blijft, zal men meer gaan geloven in hoop dat de mens zelfredzaam is. Hoe zal dat voor Hem zijn? Blijft hij hopen dat Zijn kinderen gaan geloven of gelooft hij in de hoop dat het zich zelf reguleert? Zal Hij geduld uit kunnen oefenen? Tienduizend jaar op een eeuwigheid is niet veel, maar net als de mens die pijn heeft na een ongeluk kan een seconde uren duren. Duren tienduizend jaar dan een eeuwigheid? En hoe lang kan de Vader van de schepselen in zijn evenbeeld ellende en pijn verdragen?

 Het lichaam van de sterveling voelde tastbaar. De grond was werkelijkheid voor hem net als de zonden van hen die zijn bestaan vulde. De wetenschap dat het over enkele decennia voorbij was gaf hem rust. Mocht de hoop van het geloof waar zijn kwam hij ergens terecht en misschien wel in iets mooiers. En zo niet dan werd het erg stil. De onstervelijke bleef echter achter met de zonden en het lijden van hen die het leven van de sterveling belast hadden.

 De ogen richtten zich op de weg voor hem en de sterveling vervolgde het pad dat hij ingeslagen was. Een sterk gevoel van medelijden maakte zich van hem meester. Medelijden met de mens die zo hard probeerde God te zijn, terwijl God misschien liever mens wilde zijn. Een brede grijns begeleidde de sterveling op zijn pad naar niets, gevuld met pijn, maar voldaan door het gevoel van eindigheid.


dinsdag 4 september 2012

Politiekigheidjes: compromissenland

 Het heeft even geduurd en ik raakte danig in verwarring door allerlei paaltjes langs mijn reisroutes met plastic zakkies er om heen of vakkundig afgeplakt, maar eindelijk ben ik eruit. Na de initiële gedachtenkronkel (hoe ziek kan je zijn) ‘goh, wat leuk, cadeautjes omdat ik wegenbelasting betaal ‘ viel het kwartje.

 De maximumsnelheid wordt verhoogd en wel in typisch Nederlandse compromisstijl. Bij vlagen briljant te noemen. Partij A (en een deel van het volk) roept: ‘We moeten de snelheid verhogen naar 130! Da’s beter voor de doorstroming!’ Partij B roept: ‘Ben je belazerd? Dat gaat ten koste van de lieveheersbeestjes en de overstekende naaktslakken in den Hollandsen zomermoesson!’ Partij C: ‘Maar door ’t lawaaaaaai gaat de verkooppries van mien huus naar benee, dus ’t mot niet te gek word’n nou?’

 En aldus geschiede. De bordjes werden onthuld. De verhoging naar 130 km/u een feit na een prachtige doorstroomtestperiode op trajecten in niemandsland (representatieve steekproef Steenwijk-Heerenveen…).  En nu mogen we ons gelukkig prijzen dat de doorstroming verbeterd is zonder dat er ongevraagd geplette stukjes fauna onder den auto verdwijnen en zonder dat de buurman met ’t prachtige koopboerderientien zien waarde ziet verdwijnen als den spreekwoordelijken sneeuw voor den zon.

 Hoe zit het dan? Welnu, we hebben stukjes met 130 km/u, stukjes 120 km/u en nieuwe stukjes met 100 km/u. Afgewisseld met stukjes 90 km/u (wegwerkdinkies), stukjes 70 km/u en af en toe de varianten 120 km/u tussen 6 – 19 uur en 130 km/u tussen 19 – 6 uur.

 Laten we hier nu wat Einsteiniaanse relativiteitsgedachtengangen en semi-wetenschappelijke calculaties op los komen we op twee varianten:
-bij bovengenoemde getallen een verlaging van de gemiddelde snelheid op ’s Heeren wegen naar   ca. 90 km/u (politionele boetecorrecties meegenomen).
-Laten we de 90 km/u stukjes en de 70 km/u stukjes weg (werkzaamheden en ringeloren) komen we op een ca. 120 km/u wat een verhoging/verlaging van net niets betekent.

 Partij A koketteert er vrolijk op los: ‘Zie we hebben de doorstroming verbeterd door verhoging van de maximumsnelheid!’
Partij B blij: ‘gemiddeld hebben we een verlaging bereikt waardoor de naaktslakkenpopulatie na decennia eindelijk weer aan kan groeien!’
Partij C: ‘Mien huus is toch in waarde daalt door die lillijke gluudswallen. Maar ik heur ’t net, dus dat skeelt nou?’ 

 Iedereen blij, het volk gediend. En de verkeersveiligheid omhoog , omdat den automobilist een stukje alerter moet worden. Bordje 130! Gas! Drie kilometer later bordje 130 tussen 19-6 uur! Remmuh. Twee kilometer later, gas, weer 130! Ships, vijf kilometer later ‘remmuhhhh’ 100 km (yep, op/afritding dus effuh oplettuh hè). Drie kilometer later 120 tussen 6 – 19 uur (kwestie van perceptie: als ik omgekeerd leef lees ik tussen 19 – 6 uur en mag ik knallen, alleen het CJIB heeft geen perceptie). Even goed kijken, bordje autoweg, aha, 100 kilometertjes. Fuck de bevers! Wegwerkzaamheden. Terug naar 90 dus remmuh. Twintig kilometer later, daar issie weer 130! Gas! O jee, even kijken of er zeker weten niet staat tussen 19 - 6 uur. Nope, ik mag los, trappuh! Met een euforisch gevoel mag ik dit zeker anderhalve kilometer volhouden. Dan moet ik zwaar in de ankers, want ik nader de ring ener bebouwde kom.  

 Zo zie je maar dat er in een democratische rechtsstaat ondanks politieke voorkeuren toch aan ieder gedacht wordt. En ik voel me gewoon vet scherp, concentratie super! En die botsingen om mij heen komen in ieder geval niet door mij. Als ze nu ook nog stapelweilanden gaan uitvinden zijn de biologische boeren gered en kan ’t koevolk rustig wandelen zonder dat ze bedreigd worden door de groeiende wereldbevolking. Utopia is on it’s way!

woensdag 22 augustus 2012

Eindelijk pensioen


2030

 

Voorzichtig keek hij om de hoek door de deuropening naar de kleine Jelle. Het kind zat stoïcijns met zijn lego te spelen zonder enige aandacht voor zijn omgeving. Er werden verschillende stapels gemaakt van telkens 10 blokjes hoog. En als hij dan 10 stapels had gemaakt haalde hij ze een voor een weer uit elkaar en begon opnieuw. Vader Harm wist dat hij zijn zoon dan niet moest storen, ook al kwam hij net thuis van zijn werk. Wanneer Jelle zo bezig was en hij werd onderbroken knapte er iets in de kleine jongen en ging hij volledig door het lint. De lego en alles wat er dan in de buurt was werd opgepakt en keihard weggegooid. Met een hoge stem begon het kind dan te krijsen en zou daar de hele avond en nacht niet meer mee ophouden. In het begin wist Harm niet precies hoe hij daar mee om moest gaan, maar na verloop van tijd had hij zich leren aanpassen. Het gebeurde nu nog maar eens in de week dat de jongen hysterisch werd.

Zachtjes sloop Harm naar de keuken om een flesje bier uit de koelkast te pakken, ging naar de woonkamer en zette zich gemoedelijk neer op de bank. Met een zachte zucht liet hij zijn voeten op de salontafel rusten en zocht naar de afstandbediening van het plasmascherm. Nadat hij gecontroleerd had dat het volume zacht stond klikte hij het apparaat aan. Een klein geluid liet hem schrikken. Met grote ogen keek hij over zijn schouder en luisterde ademloos. Het was het geluid van legoblokjes die weer van elkaar af getrokken werden. Harm wist weer hoe hij moest ademen en probeerde zijn spieren te ontspannen en zijn aandacht op de televisie te richten.

Eigenlijk had Jelle helemaal niet thuis moeten wonen wist hij, maar door de bezuinigingen een aantal jaren geleden op maatschappelijk werk kwam hij niet in aanmerking voor vergoeding van opname. En omdat Jelle niet opgenomen kon worden mocht de jongen ook niet in therapie. De therapie was het enige dat er voor kon zorgen dat de kleine man uit zijn isolement getrokken zou worden. Morgen zou Harm nog eens proberen of het mogelijk was geld los te krijgen voor een zorgboerderij. Een paar keer eerder had hij dat geprobeerd, maar omdat zijn inkomen net op de grens tussen beneden-modaal en modaal lag werd het steeds afgewezen. Bij de ene ambtenaar zat hij net boven de grens van het toetsingsinkomen en bij de andere ambtenaar er net onder. Maar als hij er net onder zat en euforisch de aanvraag indiende was er weer een andere ambtenaar die het toch weer afwees.

Zijn vrouw Tiny lag al op bed. Of al, alweer was een betere term. Sinds twee jaar was ze overspannen verklaard en de relatie was behoorlijk achteruit gegaan. Eigenlijk vanaf de geboorte kon ze niet goed omgaan met de afwijkingen van Jelle. In het begin begon ze ook met schreeuwen, waarop het kind harder begon te krijsen, zij begon te huilen en het kind nog harder begon te krijsen. Ondanks alle pogingen lukte het haar niet om zich aan te passen aan de jongen. Regelmatig maakte ze de fout om de kamer binnen te lopen in een poging de vuile was uit zijn kamer te halen. En natuurlijk net op de momenten dat hij stapeltjes aan het maken was. Een paar jaar lang kon ze het nog volhouden, voordat ze knapte. Zo goed en zo kwaad als het ging probeerde Harm de twee uit elkaar te houden. Het lastige was dat hij overdag moest werken en dan geen toezicht kon houden.

 

2057

 

Harm sloot de deur van zijn kantoor achter zich. Eindelijk kon hij met pensioen, eindelijk kon hij rustig genieten. Op zich had hij zijn werk als chemisch analist met plezier uitgevoerd, maar de constante dampen van de verschillende chemicaliën hadden wel op zijn gezondheid gewerkt. Het ademen ging met piepen gepaard en hij rochelde iedere ochtend na de koffie allemaal slijm op met een vreemde kleur. Net als anderen had hij gehoopt op zijn 65ste met pensioen te kunnen gaan en hier had hij ook een aanvraag voor ingediend, maar de ambtenaar had besloten dat zijn beroep niet onder de zware beroepen viel. Officieel was het een kantoorbaan en fysiek en mentaal niet zwaar. Uiteraard had Harm al veel eerder willen stoppen, zodat hij zijn volledige tijd aan Jelle en zich zelf kon besteden, maar hiervoor had hij zich niet kunnen bijverzekeren. De kosten van de premies waren nodig voor de medicatie van zijn zoon, omdat de vergoedingen in 2032 uit het Ziekenfondspakket waren gehaald. En aangezien Jelle een geestelijke afwijking had, moest Jelle eerst onderzocht worden door een therapeut en dan een diagnose krijgen, voordat hij in aanmerking zou komen voor vergoeding. Maar hiervoor was opname nodig en Jelle kwam niet in aanmerking voor opname, omdat er geen capabele maatschappelijk werker beschikbaar was.

Nadat hij thuiskwam wierp Harm voorzichtig een blik langs de deur van Jelle’s kamer. De man zat rustig op de grond stapeltjes van 10 damstenen te maken en als hij 10 stapeltjes van 10 had, haalde hij ze weer van elkaar af en begon opnieuw. In alle stilte sloop hij naar de woonkamer. In de afgelopen jaren had hij geleerd dat hij Jelle niet moest storen, want als hij dat wel deed ging de man door het lint. Alles wat in zijn buurt stond werd dan opgepakt en weggesmeten en als Harm zelf in de buurt kwam betekende dat een bezoek aan de huisarts.

Maar goed, eindelijk kon Harm tot rust komen. Alle tijd die er nu was kon hij samen doorbrengen met Jelle en met een beetje geluk konden ze nog wat leuke dingen met zijn tweeën ondernemen.

 

2058

 

Tiny keek bedroefd naar de grafsteen. ‘Hier rust Harm Tadema’ stond er in sierlijke letters op geschreven. De chemische dampen en de stress rondom de verzorging van zijn zoon Jelle hadden een grotere impact op zijn hart gehad dan hij zelf door had. Op een ochtend dat Jelle door het lint ging (Harm had een van de damblokjes van de vloer op tafel gelegd) en Harm kwaad tekeer ging tegen zijn zoon viel hij spontaan neer om nooit meer op te staan. Een paar dagen later werd hij door een deurwaarder gevonden, die samen met de politie de nog openstaande huur kwam innen. Jelle had rustig in de hoek gezeten met zijn damstenen, stapeltjes van 10 aan het maken tot hij 10 stapeltjes van 10 had. Daarna haalde hij ze weer van elkaar af en begon weer opnieuw.

Ook al waren hij en Tiny 20 jaar geleden al gescheiden, ze miste hem wel. Het was een lieve man geweest. Hij had haar echter teveel op laten draaien voor de zorgen van Jelle, omdat hij vaak lang moest werken. Ze had er al vaker op aangedrongen dat hij eerder moest stoppen, dan was alles waarschijnlijk anders gelopen. Maar hij bleef altijd maar zeggen dat het niet kon. Ten einde raad had ze hem verlaten en was gaan samenwonen een succesvolle zakenman. Ook deze man had aan haar uitgelegd dat het voor Harm helaas niet anders kon, maar ze bleef er bij dat waar een wil is, een weg moest zijn. Met een traan in haar ooghoek nam ze afscheid van de vader van haar kind. Jelle was meegenomen door maatschappelijk werk, omdat ze haar moeder niet in staat achtten voor het kind te kunnen zorgen. De man werd opgenomen en kreeg therapie.

 

2062

 

Eindelijk was Jelle dan zover, hij mocht begeleid zelfstandig wonen. Het was een lange weg geweest, maar met behulp van medicijnen waren zijn uitbarstingen eindelijk overwonnen. Er was zelfs een vrouw in zijn leven gekomen en het ging heel voorzichtig, stapje voor stapje, maar het leek warempel bijna een relatie te worden. Regelmatig ging hij samen met een begeleider, naar het graf van zijn vader en deze keer was het ook niet anders. Of toch?

‘Ik wou dat je me nu had kunnen zien pa, ik heb een hele leuke vrouw ontmoet’, zei Jelle.

zaterdag 18 augustus 2012

Geloofsuitinkje


O lieve Heer,

Het is mij om het even
Maar gun mij in dit leven
Dat wat rijken anderen niet geven

Laat hen sidderen en beven
Door ons verderfelijke armelui
Veel bier en lekkere wijven te geven

Op die manier blijft het niet kleven
Dat armelui de miljonairsteven
niets zouden gunnen om naar te streven

Amen

P.S.:
En als een rasechte altruïst
zal de miljonairsman uitgedaagd
triomfantelijk maar toch geplaagd
uitroepen: ik heb naast de pot gepist
Daarna verwilderd zichzelf gevraagd:
Wat heb ik toch zo node gemist
Da’k door een lelijk wijf gedaagd
Aan ‘t altaar naar boven ben gevist

zondag 29 juli 2012

Bundeltje

Waar geschreven wordt liggen drukpersen op de loer. En als de woorden dan gegrepen worden op papier is dat de eerste keer toch bijzonder.

'Geboorte van een toekomst' en 3 gedichten hebben een plaatsje gekregen in de verhalen/gedichtenbundel nummer 6 van WriteHistory.



zondag 1 juli 2012

Krijg de...

  “Had je ze niet beter allebei kunnen verwijderen?”
  “God, meis, wat erg, gelukkig heb je er nog één over.”
  “Hoe gaat het nu met je? Ow, niet zo? Nou ik begrijp helemaal wat je bedoelt! Laatst moest ik wachten op de uitslag van mijn scan of het middenvoetsbeentje nu werkelijk gebroken was of niet. Slopend is dat.”
  “Nee, nee, je kan echt niet mee. Hou op zeg, jij moet rustig aan doen!”
  “Nou, nu je het er over hebt, weet je wat ook zo erg is? De dochter van mijn schoonzus heeft vorig jaar…”

 Iedereen kan doden. Echt waar! Iedereen! Kun je daar geen voorstelling van maken? Weet je waarom? Heeft te maken met de wereld waar je in leeft. Teveel tijd om na te denken. Teveel  luxe, te weinig niets.
 “Dat snap je toch  niet? Euthanasie, verschrikkelijk, wij zijn toch niet degenen die over dood en leven mogen beslissen?”
 “Nou, sommige omstandigheden…”
 “Snap ik wel, maar daarom kun je nog niet besluiten dat iemand bewust doodgemaakt mag worden, dat is ver boven onze pet.”
 “Maar…”
 “Ik weet, maar dat gaat echt te ver. Is het alweer zo laat? Vanavond een vergadering van de partij. Ze willen de welgestelde mensen meer belasten, maar kom op zeg, we werken er voor toch?”
 Misschien dat niets een mens goed zou doen. Iets waarschijnlijk ook. Een dosis besef dat alles wat lijf en leden is fragiel en nutteloos wordt als het niet meer groeit als moet. Als voorgeschreven.
 “Ben je nu helemaal gek dat je rookt?”
 “Hallo, wat maakt dat nu  uit?”
 “Wat maakt dat uit? We proberen je te helpen! En zo heeft dat natuurlijk geen zin! Als je niet je best er voor wilt doen komen we er natuurlijk nooit!”
 “Maar jullie zeiden dat met alle therapieën het hooguit met een maand gerekt kan worden en…”
 “Minstens met een maand! En iedere dag die je gegeven wordt is er één extra met een kans op een oplossing! Maar als je daar geen inzet voor wilt tonen heeft het geen zin natuurlijk!”

 De mens die het beter weet heeft altijd de uitgang naar het gezonde materiële leven.  Daar waar pijn  enkel financieel is, waar emotie enkel verlangen is. Verlangen dat verward wordt met hebberigheid. Hebberigheid met moraal en moraal moet overgebracht worden op hen die het niet hebben.
 “Drink jij? Dat kan toch helemaal niet met die medicijnen? Ik begin bijna te denken dat je kinderen gelijk hebben. Het lijkt er soms wel op of je de vernieling in wilt!”
 De moraal van op hun plaats vibrerende cellen, kleine minuscule delen van het lichaam die reageren zoals ze moeten. Die groeien en herstellen op de manier die van hen verwacht wordt. Gevuld met genetische codes en aangeleerde beleefdheden en manieren. Met overtuigingskracht de moraal van gezondheid opdringen aan hen die er roekeloos mee omgaan. Gestudeerde mentaliteit zonder inzicht. Intelligentie zonder beleving. Ben ik intelligent omdat ik tot tien kan tellen? Of ben ik intelligent omdat ik tot tien kan tellen, maar weet dat er na negen niets meer is?

 “Zou je dat nu wel doen? Als je zo’n stuk reist ben je doodmoe en moet je weer dagen bijkomen. Lijkt me niet verstandig, dus je blijft gewoon thuis.”
 “Maar het lijkt me juist leuk om mijn zus weer eens te zien. Het is…”
 “Als ze je zo graag wil zien had ze ook hier heen kunnen komen. Een beetje begrip voor de situatie is toch niet teveel gevraagd?”
 “Ze is een maand geleden nog geweest en het lijkt me juist leuk om…”
 “Ze denkt alleen maar aan zichzelf en in jouw situatie kan je niets hebben, dus gaat niet gebeuren!”
 Andere mensen begrijpen altijd zo goed hoe het is. Ze weten alles beter en hebben het beste met je voor. Stel je voor dat één dag plezier een week pijn en ellende tot gevolg heeft. Dat een sigaret roken je leven van een maand met twee dagen verkort. In die twee dagen kan tenslotte net het ultieme medicijn uitgevonden worden. Gezonde mensen weten het beste hoe het is om met ziekte om te gaan, zij hebben tenslotte een levensvorm gevonden die hen in stand houdt. Wie ben ik dan? En als men niet gezond is bestaat er wel een God of een ander lichtgevend wezen dat duidelijk maakt dat lijden een onderdeel van zijn is. Gelukkig zijn er velen die mij daar op wijzen.

 “Mevrouw?”
 “Ja, knul?”
 “Gaat u dood?”
 Niets zo heerlijk als de openheid van een kind. Heerlijk. Ja, ik ga dood! Hartstikke dood! Niet een klein beetje, niet een heel klein vleugje, maar echt mega, hartstikke dood!
  “Dan kunt u ook geen plezier meer maken zeker.”
  “Ik wil wel plezier maken, jongen. Maar dat mag ik van anderen niet.”
 En waarom snapt een kind vaak wel wat onbegrijpelijk geacht wordt?
  “Maar als u toch weet dat u dood gaat moet u toch plezier maken? Zoveel mogelijk toch?”

  Ieder mens kan doden. Daar ben ik van overtuigd. Geef een mens de omstandigheden, de gevoelens, de gedachten en het lichaam van de ander doet er niet meer toe. Ik pak hen die mij kooien beet bij de nek, kijk ze neerbuigend aan, en draai hard. Het gekraak van botten en het verschuiven van wervels vergezeld van een laatste adem teug doet mij goed. Het keukenmes dat ik niet mag gebruiken, omdat ik mij zo snel verwond, snijdt egaal, soepel door het lichaam van hen die mij remmen. De huid trek ik van hun lijven af en parmantig wrijf ik de lappen van hun vel over mijn lichaam. Ik smeer de restanten van morele verworpenheid uit in rode strepen over mijn éne borst, streel mijn andere en bedenk mezelf dat ik nog steeds een halve vrouw ben.

 “Ik hoop dat u nog een beetje plezier kunt maken. Dag!”
 Dag. Niet tot ziens, gewoon dag. Terwijl ik de verpleegsters, vrienden en familie laat beleven wat het is om pijn te hebben, hoe het is om langzaam dood te gaan, kijk ik vertederd naar het jongetje dat de bus verlaat. Inderdaad, niet tot ziens, gewoon dag. Het besluit om de buurvrouw met een aantal haken aan een zelfgebouwd kruis op te hangen om te zorgen dat ze in ieder geval nog een paar dagen in tergende onzekerheid verkeerd of ze mag sterven of niet, wordt vergezeld van de blijdschap hem ontmoet te hebben.

 Ieder mens kan doden en ik dood ze allemaal. Ik maak ze af, zorg dat ze lijden, geef ze stigmata als ze geloven en laat ze wensen en hopen dat ze zo snel  mogelijk een eind aan hun leven kunnen maken. En zelf? Ik besluit moraal te verwerpen. De nicotine van de sigaret die ik inhaleer voelt verlichtend, de sterke drank die mijn keel streelt voelt verzachtend. En als ga ik nu al die kansen mislopen op een potentieel magistraal wonderlijk medicijn, ik geniet even. En wat mij betreft, wat mij betreft, kunnen ze allemaal de ……. krijgen. Nee, ik zeg het niet hardop, maar ik denk het wel. Heel erg misschien, maar het voelt wel lekker.